Soos Kiek Uut
Home - Terug naar Activiteiten















































ONTMOETING MET SCHRIJVER ALMAR OTTEN 10.03.2014. (164)

Vandaag hadden we een druk programma, een ontmoeting met de schrijver Almar Otten in het stadhuis, het in het zonnetje zetten van de meisjes/jongens in het stadhuis en 's-middags een informatiebijeenkomst over ons uitje naar Brussel.
Het is 10 maart nog steeds winter in Deventer, maar het leek vandaag wel of de tijd vooruit was geschoven en we op een mooie lentedag ons uitstapje gingen maken. Immers het zou vandaag weer tegen de 20 graden Celcius worden. Een ongekende hoge temperatuur voor begin maart. We verzamelden ons weer bij het station en vertrokken te voet tegen 09.45 uur naar het  stadhuis. Eenmaal daar aangekomen ontmoetten wij de Kiekuuters die op eigen gelegenheid naar het stadhuis waren gegaan en namen we plaats in de oude raadszaal waar de kof­fie/thee en het welbekende bijtje voor ons klaar stonden. Iedereen was weer gezellig aan het praten totdat onze voorzitter Hans het woord nam. Hij opende deze dag met de mededeling dat de 79e editie van de Boekenweek als thema  heeft  "Reizen", wat voor ons natuurlijk erg toepasselijk is omdat we binnenkort naar Brussel reizen met een mooie bus. Enfin vandaag is Almar Otten, de Deventer thriller schrijver, onder andere bekend door thrillers over de moordza­ken in onze stad, hier bij ons om het een en ander te vertellen. Hans gaf hierbij Almar het woord.
De persoon Almar zette ons even op het verkeerde spoor. En aangezien de meesten van ons hem niet konden zien en/of wisten wie hij was, dachten we eerst echt dat er een andere verteller aan tafel was geschoven. Hij begon te vertellen dat Almar heden ochtend helaas verhinderd was wegens andere verplichtingen. Dus als vervanger van hem las Arno de Monchy een verhaal voor en hij zij dat Kiekuut, met alle respect voor Almar Otten, toch beter af was met hem als grootste schrijver van Deventer. Arno de Monchy  begon een verhaal te vertellen over wie hij is en wat hij heeft meegemaakt. Het verhaal ging over een praatje in de kroeg met een uitgever en met andere schrijvers zoals Harry M., Remco C., Cees N., Gerard R. natuurlijk, Simon V., Willem Frederik, Jan W.
Het was een boeiend verhaal waar wij als Kiekuuters van hebben genoten. Gelukkig bleek dus dat Arno de Monchy verzonnen was en dat Almar Otten in levende lijve dit verhaal aan ons had voorgelezen. Dit verhaal is eerder versche­nen in De Valsche Geschiedenis van de Deventer Boekenmarkt
Aangezien het voor mij te veel is om het hele verhaal goed op papier te zetten, is Arno de Monchy ons tegemoet gekomen om het hele verhaal digitaal aan te leveren.  Ja ja ik raak er van in de war, ik bedoel dus Almar Otten. Onder dit verslag kunt u zijn verhaal nog eens nalezen.
Nadat we zijn voorleesverhaal hadden beluisterd begon Almar te vertellen wie hij was. Almar Otten is in 1964 geboren in Deventer, maar na een half jaar is hij al weer met het gezin Otten vertrokken uit Deventer en groeide op in Heerde. Na zijn studie  in Wageningen, waar hij afstudeerde als hydroloog, heeft hij o.a. gewerkt bij ingenieursbureau Tauw waar hij adviezen gaf over bodemsa­nering , het ministerie van LNV waar Almar heeft gewerkt aan onderwerpen als ruimte voor de rivier en natura 2000. We zien nu rond de IJssel bij Deventer veel werkzaamheden om het water bij hoogtijdagen de kans te geven om zich te verspreiden. Nu werkt hij bij de gemeente Deventer als programmamanager waar hij verantwoordelijk is voor gemeentelijke taken op het gebied van afval, bodem, lucht, geluid, geur, ecologie en duurzaamheid. Hij is begonnen met het schrijven van een boek toen hij meer thuis was om bij zijn pas geboren dochter te zijn. Heel vreemd is het niet dat hij begon te schrijven, aangezien zijn ouders taaldocent waren en zijn vader ook boeken heeft geschreven over historische en naamkundige onderwerpen. Hij heeft veel te danken aan zijn vrouw, Heleen Bosma, die regelmatig zijn werk doorlas en hem de nodige positieve op- en aanmerkingen gaf. Heleen is immers een afgestudeerd Neerlandica en zelfstandig schrijfster. Het heeft dan ook veel tijd gekost om uiteindelijk datgene te bereiken om een goed boek te schrijven. Almar heeft besloten om thrillers te gaan schrijven en zijn eerste boek kwam op de markt in 2007 " Met verdwenen Chemie". Dit was de eerste van de 7 delige serie : De zeven Deventer moordzaken. Van dit boek zijn ruim 2500 exemplaren verkocht. Almar las een stukje uit dit boek voor ons.
Hij was erg benieuwd hoe de recensies over zijn eerste boek "Met verdwe­nen chemie" door Vrij Nederland thrillers gids waren. Tot grote ontspanning en tevredenheid kreeg hij  goede recensies in de vorm van 3 sterren. Vijf sterren is het maximale wat een schrijver kan krijgen. Inmiddels heeft hij 4 boeken met  Deventer moordzaken geschreven. Soms wordt een boek op Daisy(cd) uitgegeven voor blinden en slechtzienden. Uiteindelijk beslist de uitgever of het boek op Daisy wordt uitgegeven. Het boek "De Afstamme­ling" is al wel te koop op Daisy Braille Cecogramme. Soms wordt er ook een boek met een liedje op cd samen uitgegeven. Hel leek Almar en de uitgever ook leuk om dit ook eens te doen bij het boek " Lied van angst". Hij heeft ons een lied laten horen dat ging  over Ellen van Dort, zij was in dit boek een regisseur. Almar vertelde ons dat er wel veel boeken werden gekocht maar de boeken met cd werden slecht verkocht.
Nadat er door Almar vragen zijn beantwoordt heeft Hans hem namens ons Kiekuuters  bedankt voor zijn boeiende betoog. Geske Koopal overhandigde Almar namens ons een lekkere chocolade bonbonnière  en Willem de Witte gaf hem een potje mosterd. De tekst op de  bonbonnière  had de kleuren geel en rood. Geel is de kleur van de blinden, rood van het bloed en samen uiteraard de kleuren van Go Ahead. Uiteraard een welverdiend applaus voor Almar Otten.
Ook hebben we even stilgestaan bij het feit dat we afscheid moesten nemen van de meisjes/jongens van de catering in het Deventer stadhuis. De cateraar Albron beëindigt namelijk de werkzaamheden in het stadhuis. De meisjes, zoals Hans ze altijd noemt, hebben ons altijd goed geholpen en zij zorgden er voor dat alles op de plek stond,  koffie/thee met een bijtje. In overleg kon er vaak wel wat geregeld worden. Dus de samenwerking was dan ook prima. Als dank werden ze, een delegatie van 2 dames uit de Albron groep,  even in het zonnetje gezet en ontvingen zij ook van Geske een lekkere eetbare gevulde bonbonnière en van Willem potjes mosterd. Ook voor hun was er een welverdiend applaus. Uiteindelijk zij we tegen twaalven naar TCR in Deventer gegaan waar we een broodje met koffie/thee/melk/karnemelk konden nuttigen en we goede en uitgebreide informatie kregen over onze reis naar het Europees parlementsge­bouw in Brussel. Ik denk dat we allen met spanning afwachten totdat we op 1 april in de mooie Go Ahead bus mogen stappen, die ons naar Brussel rijdt.

Uw verslaggever Carel Heerius.

Hoffotograaf Hans Bonthuis heeft weer vele fotos gemaakt die op onze website zijn te zien.

Hier nog een link naar de Deventer Televisie waar Almar aan het woord is en Kiekuut wordt genoemd.

Onder de gastenlijst van vandaag nog het verhaal van Almar Otten waar Carel over schreef.

Kijk ook eens op:
www.almarotten.com
www.aangepastlezen.nl
www.deventerboekenweek.nl
www.soos-kiekuut.nl

De gasten van vandaag zijn: Cees/Margreet Amende, Hans/Gerry Bonthuis, Gunther Bosch, Willy Brinkman, Ria van 't Erve, Carel Heerius, Jan van der Horst, Ad Kapiteijn/Geske Koopal,  Margare­th Pauli, Wiebe/Jenny Rusch, Piet/Margo Schwengle,  Wil­lem/Corrie de Witte en Veld­wachter, Hans.

(Kenmerk: Kiekuut/2014/boekweek.14)

De grootste schrijver van Deventer.

Laat ik beginnen met de verontschuldigingen. De organisatie van deze ochtend had de Deventer thrillerauteur Almar Otten gevraagd voor een inleiding. Hij had helaas andere verplichtingen. Vraag me overigens niet wat een thrillerschrijver in de Boekenweek te doen heeft. Feit is in ieder geval dat hij niet hier is en dat ik gisteravond een telefoontje kreeg om hem te vervangen. Graag gedaan.

En ik denk, met alle respect voor Otten, dat u met mij beter af bent dan met hem. Ik ben namelijk de grootste schrijver van Deventer en mijn naam is Arno de Monchy. Ik neem het u echter niet kwalijk dat u mij niet kent. Mijn laatste boek verscheen namelijk midden jaren zestig van de vorige eeuw. Het was tevens mijn debuutroman.
Sindsdien treed ik nog slechts op als schrijver, ik schrijf niet meer. Jammer voor Deventer. Mijn boeken hadden van Deventer het literaire centrum van Nederland kunnen maken. Ik sluit niet uit dat chique uitgeverijen hun Amsterdamse grachtenpanden hadden verlaten en zich hadden gevestigd aan de Welle of de Keizerstraat om mij te contracteren. Zo heeft het echter niet mogen zijn. Hogere machten hebben anders beslist.
Van mijn tegenwoordige optredens als schrijver moet u zich niet al te veel voorstellen. Achterzaaltjes van plattelands­dorpshuizen, literaire cafés met dichtgedraaide subsidiekraan en kwijnende boekhandels. In Deventer ben ik maar zelden te zien geweest, voor het laatst in 1979 toen ik te gast was bij een studentenvereniging. Afgaande op de titel van mijn enige roman, ‘Ontluikend koolzaad’, dachten ze dat ik een landbouwkundige was.
Aangezien mijn boek allang niet meer leverbaar is, heeft het publiek mijn boek over het algemeen niet gelezen. Het valt daarom niet mee om de contractueel afgesproken twee uur vol te praten. Ik doe altijd mijn best om iemand uit het publiek zo snel mogelijk de enige interessante vraag te laten stellen: waarom heb ik nooit meer iets geschreven na het verschijnen van mijn debuutroman?

Een paar maanden geleden zat ik in de kroeg en raakte ik aan de praat met een uitgever. Na een paar biertjes vroeg hij me wat ik deed voor de kost. Na enig aandringen en een paar extra biertjes van zijn kant, vertelde ik het verhaal van mijn schrijverschap. Hij reageerde enthousiast en vroeg of ik een samenvatting van mijn levensverhaal op papier wilde zetten. Het zou worden opgenomen in een bundel met verhalen over bekende Deventenaren. Talloze beroemdheden zouden een bijdrage leveren. U begreep dat ik twijfelde. Natuurlijk voelde ik mij vereerd. Meer dan veertig jaar na mijn eerste en laatste roman zou ik weer worden gepubliceerd! Aan de andere kant lukte het mij al veertig jaar om een boterhammetje te verdienen met het vertellen van dat ene verhaal. Waarom zou ik mijn eigen glazen ingooien door het verhaal op te schrijven? Omdat de uitgever zag dat ik aarzelde, liet hij de glazen nog eens volschenken en bood hij mij een deel van de royalty’s die het boekje zouden opleveren. Dat was een aanlokkelijk vooruitzicht, zeker toen hij aantallen van tienduizend en meer noemde. Vandaar dat u het geluk hebt dat ik mijn verhaal hier voorlees.

Mijn eersteling, ‘Ontluikend koolzaad’, was een autobiografisch getint boek over een jongen uit Bathmen die bang was voor de kleur geel. Geel gebruikte ik als metafoor voor de medemens. Zowel mensen als de kleur geel zijn namelijk alom aanwezig. Het boek beschrijft de vlucht voor iets onontkoombaars. Aangezien dat onmogelijk is raakt de jongen aan de drugs, wordt schizofreen en springt van de Lebuïnus.
Het boek kreeg lovende recensies in de landelijke pers en ik mocht naar het Boekenbal. Ik was daarom niet verbaasd dat ik een uitnodiging ontving van het Nederlandse ministerie van onderwijs, kunsten en wetenschappen om met collega-schrijvers mee te gaan naar een internationale schrijversconferentie in Parijs. Een rondje bellen leerde me dat al mijn vrienden meegingen, Harry M., Remco C., Cees N., Gerard R. natuurlijk, Simon V., Willem Frederik, Jan W., noem maar op. Nu allemaal gelouterde namen, maar toen geen cent te makken. Het aangeboden snoepreisje liet niemand daarom aan zijn neus voorbijgaan.
We reisden per trein, het ministerie zorgde voor broodjes en zelf hadden we wijn gekocht. Het treinstel dat speciaal voor ons was gereserveerd zinderde van de inspiratie. Het was een tijd dat jongelui zoals wij trots waren op onze welbe­spraaktheid en we schaamden ons er niet voor om onze experimentele poëzie, incoherente toneelscènes, expressionisti­sche woordkunst aan elkaar voor te dragen.
In Frankrijk had men een eenvoudig hotel voor ons geregeld. We sliepen met z’n allen op dezelfde slaapzaal.
De schrijversconferentie was geen succes. Frankrijk was helemaal in de ban van de filosofen, Foucault, Derrida, Barthes, Baudrillard, noem maar op. Daar hadden wij in onze Nederlandse eenvoud helemaal niets aan toe te voegen. Harry M., God hebben zijn ziel, probeerde het wel, maar concludeerde veront­waardigd dat die Franse kwasten niet in staat waren om zich in zijn gedachte­gang te verplaatsen. Cees had het snel gezien, hij reisde diezelfde avond nog door naar Spanje, met een omweg naar Santiago de Compostella. Wij gaven de voorkeur aan het Parijs’ uitgaansleven. De begeleidende ambtenaar van het ministerie toonde zich bereid onze honneurs tijdens de conferentie waar te nemen.
De tweede avond van ons verblijf in Parijs betekende de ommekeer in mijn carrière, en niet alleen in die van mij. Zonder die avond had de Nederlandse literatuurgeschiedenis er geheel anders uitgezien.
De sobere onkostenvergoeding van het ministerie was bijna op. Van het restant kochten we ieder een doosje wijn en gingen terug naar ons hotel. Simon V, God hebbe ook zijn ziel, ging op zoek naar glazen, maar werd door Gerard, God hebbe hopelijk ook zijn ziel, teruggefloten. Gerard ontkurkte gewoon voor iedereen een fles. U begrijpt, de stemming steeg snel. 
Het was Harry die op een gegeven moment opperde om een spelletje te doen. Zijn voorkeur ging uit naar toepen. Iedereen was enthousiast. We spraken af dat de verliezer van een potje een nieuwe fles wijn uit eigen voorraad zou aanbre­ken. Dat ging goed. De aanvoer van nieuwe flessen was in evenwicht met de consumptie.
Toen er bijna niets meer te ontkurken viel, opperde Willem Frederik, God hebbe zijn ziel,  om de inzet te veranderen. Hij had een concreet voorstel. De verliezer moest afstand doen van een eigen idee en dat idee zou overgaan naar de winnaar. Niemand kon zich er iets bij voorstellen maar iedereen deed mee.
Ik verloor het eerste potje. Harry won. Niet lullig doen, dacht ik en overhandig­de Harry een compleet manuscript met als titel ‘De ontdekking van de hemel’. Het ging over een Deventer jongen uit een arbeidersbuurt wiens ouders te arm waren om de contributie voor de voetbalclub te betalen. Hij voetbalde daarom op straat en net op het moment dat hij een briljante dribbel liet zien, reed de trainer van Go Ahead voorbij. Die nam hem mee naar de Adelaarshorst en dat was het begin van een glanzende carrière die even mooi als dramatisch eindig­de. De titel van het boek slaat op de enorme pegel van veertig meter in de rechterbovenhoek van het Ajax-doel, waarmee hij degradatie van Go Ahead voorkwam en tegelijkertijd zijn knie onherstelbaar blesseerde. Omdat Harry niet van voetbal hield, paste hij de inhoud iets aan, maar in grote lijnen heeft hij mijn manuscript later ongewijzigd gepubliceerd.
Ik verloor ook het tweede potje en gaf Remco C. het idee om, samen met een voetballer, een dagelijkse column te schrijven op de voorkant van een dagblad. Hilariteit ten top natuurlijk.
Zo ging het verder, ik bleef verliezen. Ik was altijd al een slechte slaper geweest en moest een ruwe samenvatting van ‘Nooit meer slapen’, over een Deventer student die verdwaald in de woestijn, afstaan aan Willem Frederik. Jan W., die toentertijd vooral schreef over de wonderen der natuur en rabiaat tegenstander was van seks in de literatuur, werd eigenaar van mijn idee voor ‘Turks Fruit’. Dat was een verhaal over een jonge blonde medewerker van Thomassen en Drijver die elke dag liftend naar zijn werk ging en op een dag werd opgepikt door de secretaresse van de directeur. Dat leidde tot een gepassioneerde liefdesrelatie die eindigde toen hij met zijn broek op de enkels werd betrapt in de kamer van de directeur. Zij redde zich eruit door te zeggen dat ze bij het zien van zijn imposante gestalte was flauwgevallen en geen idee had hoe ze op zijn bureau was terechtgekomen. De jongen werd ontslagen en zij trouwde met de directeur. Het is duidelijk dat Jan na het winnen van mijn idee voor ‘Turks Fruit’ een radicaal andere literaire koers is gaan varen.
Naarmate de nacht vorderde werden de ideeën steeds vager. De benjamin van de groep, die toen nog twijfelde tussen zijn pseudoniem Canaponi of alleen zijn voorletters AFTh, ging aan de haal met een ongeordende bundel autobiografi­sche aantekeningen en een titel: ‘De tandeloze tijd.’ Hij heeft alleen Deventer verandert in Geldrop en hier en daar wat tierelantijnen toegevoegd.
Uiteindelijk moest ik afstand doen van al mijn ideeën. Harry was de grote winnaar. Hij kon zich de rest van zijn leven wijden aan het schrijven. Denkwerk was niet meer nodig.
U zult wel denken. Hoe kunt u dit verhaal met droge ogen vertellen? Heeft u geen rancune naar uw collega’s? U had tenslotte miljonair kunnen zijn. Nee, zeg ik dan. Het was maar een spelletje.
Almar Otten, Deventer


 

Terug naar boven